Verleden tijd van uitspugen

Enkelvoud

  • ik
  • jij
  • je
  • u
  • zij
  • ze
  • hij

spoog uit

of

spuugde uit

Meervoud

  • wij
  • we
  • zij
  • ze
  • jullie

spogen uit

of

spuugden uit

Voltooid deelwoord

  • hebben
  • zijn

uitgespogen

of

uitgespuugd